Ventilatie

VENTILATIE

Tijdens het laden van accu’s wordt gas gevormd. Dit gas bestaat uit een mengsel waterstof (H2) en zuurstof (O2) ook wel knalgas genoemd. Daarbij is het gas explosief en dient daarom afgevoerd te worden door ventilatie. De mate van ventilatie en of dit, met behulp van een ventilator, geforceerd moet worden gedaan hangt van de hoeveelheid geproduceerd gas af. De hoeveelheid geproduceerd gas is weer afhankelijk van de hoogte van de reststroom die loopt aan het einde van het laadproces en de batterijtechnologie (open, gesloten, calcium of VRLA). Een veel voorkomend misverstand is dat gesloten AGM of Gel accu’s geen gas vormen: dit is NIET waar.

Recombinatie is voor 99% effectief zodat altijd gas gevormd wordt en onder extreme condities laat het ventiel het gas ontsnappen. Dus ook voor gesloten accu’s geldt: ventileren! Ventilatiegleuven of -roosters dienen aan één zijde van de ruimte zo hoog mogelijk – en aan de andere zijde zo laag mogelijk te worden aangebracht. Bij batterijen gemonteerd in zeer kleine ruimtes kan geforceerde ventilatie noodzakelijk zijn om voldoende ventilatie te kunnen realiseren. Indien het noodzakelijk is lucht af te zuigen, dient een explosieveilige ventilator gemonteerd te worden. De emissie van het gas is afhankelijk van de laadstroom aan het einde van de lading in de gassingsfase. De ventilatiesnelheid (m3/h) kan m.b.v. de volgende formule berekend worden:

Q= 0.05 x laadstroom (A) x aantal cellen

In een natuurlijk geventileerde ruimte van 2,5 x Q, kan de batterij zonder extra voorzieningen geladen worden

  • Bovenstaande geldt voor een gemiddelde waterstofconcentratie van 1%.
  • Alle gegevens zijn gebaseerd op een maximale gasvorming, die alleen wordt bereikt aan het einde van de lading of bij overlading.
  • Zie de Nederlandse richtlijn NPR 3299:2003 nl, Veilig werken bij het laden van tractiebatterijen